Tekst en Uitleg

Hier vindt u nieuws over Lucas de Waard, columns en verhalen van Lucas de Waard, flauwekul van Lucas de Waard et cetera, et cetera.

Geen einde

Deze column werd live uitgesproken tijdens de Verkadefabriek Avondeditie, 16-10-2019

In Drenthe heeft een vader negen jaar in een provisorische doomsdayboerderij op het einde der tijden zitten wachten. Met zijn kinderen, afgesloten van de buitenwereld, zelfvoorzienend, aangewezen op elkaar. Wachtend op de Apocalyps. Die kwam niet. Geen zondvloed, geen meteorietenregen, geen dag des oordeels, geen nucleaire holocaust, niks, nada, nopjan. 
Veel andere dingen kwamen er wel, in die negen jaar. Klimaatontkenners. Een Brexit-referendum. Een narcistische malloot aan het hoofd van het vrije westen. We misten twee grote voetbaltoernooien. We wonnen het songfestival. Er gebeurde een boel, maar het einde der tijden kwam niet. 

Ik vraag me af of de man teleurgesteld was. Of hij, toen hij op een brancard naar buiten werd gedragen, tussen zijn vingers door kijkend vanwege het felle licht, dacht: ‘Hè kut. Alles is er nog.’ Misschien had hij zand verwacht. Ingestorte bruggen en in rafelige kleding gehulde nomaden op zoek naar water. Misschien waren zijn kinderen wel getraind om te overleven in een bar niemandsland. 

Ik stel me voor dat de man, nadat hij in de ambulance geladen was, aan een van de broeders vroeg: is er veel veranderd?

Iedereen zou die broeder willen zijn. We zouden allemaal hetzelfde doen: geestdriftig knikken en niet weten waar te beginnen. Verlekkerd zouden we de feiten opdissen.

Nou meneer, u dacht dat het erg was toen u die deur vergrendelde, maar moet u eens raden welke volslagen randdebiel al drie jaar president van Amerika is! 

Rood aangelopen van de pret zouden we hem laten raden. Nee, geen telg van de Bush-familie meneer, dat mochten we willen! Wat zegt u? Oprah Winfey? Ach, was het maar zo’n feest!


We zouden vertellen dat Feyenoord een keer kampioen is geworden. Dat wij daar ook niks van begrijpen maar dat dat blijkbaar gewoon kan. En dat David Bowie en Prince dood zijn, en Michael Jackson ook. En de man zou mompelen dat hij dat van Michael Jackson nog wel heeft meegekregen. En wij zouden zeggen: shit, is dat alweer zo lang geleden?

We zouden vertellen over de MH17, en wat de Russen verder allemaal nog geflikt hebben, en we zouden zeggen: ja hoor, toch weer die geniepige Russen, meneer. 

We zouden vertellen dat Tom Dumoulin de Giro gewonnen heeft, dat er een zwarte Pieten-discussie is die jaarlijks meer media-aandacht krijgt dan een gemiddelde humanitaire ramp, dat Geert Wilders een horde mensen om minder Marrokkanen liet brullen, en dat dat blijkbaar mag, want hij zit nog steeds in de tweede kamer (dat is op zichzelf al wel een dingetje, meneer: Geert fakking Wilders zit nog stééds in de tweede kamer).

Afijn, dat zouden we allemaal vertellen. ‘Ja meneer, dat heeft u dus allemaal gemist, terwijl u daar op het einde der tijden zat te wachten.’

En de man, die natuurlijk hevig verzwakt is, zou zachtjes vragen: ‘Maar heb ik écht iets gemist?’

Hm.

‘Goeie vraag’, zouden we zeggen.

We zouden er even over nadenken, en we zouden beseffen dat grote, wereldse gebeurtenissen misschien niet per se gemist worden. Dat missen gaat over wat er dichtbij je is of hoort te zijn. Over dingen zo klein als een ademteug of een hartslag. We zouden snappen dat onze eigen hoogtepunten van de afgelopen jaren niets te maken hebben met tierende politici of zegevierende sporters, maar met alles wat er gebeurt als je de buitenwereld juist even vergeet. 

Deze gedachte zouden we hardop uitspreken en de man zou knikken. Het zou een mooi moment zijn, van wederzijds begrip, maar toch zouden we ons nog iets afvragen. We zijn immers een nieuwsgierige ambulancebroeder.

‘Waarom,’ zouden we vragen, ‘ga je binnen op het einde der tijden zitten wachten? Ook daar ben je immers niet veilig. Het einde der tijden gaat dwars door muren heen. Waarom zou je je daarvoor van de wereld afsluiten?’

En de man zou antwoorden: ‘Maar we zaten niet te wachten op het einde der tijden.’

‘Niet?’

‘Nee, want het was al hier. We hadden het bij ons. Het einde der tijden begint zodra je de deur achter je dichttrekt. Zodra je de gordijnen sluit. Bij ons, in ons huis, stond de tijd stil. De klok is pas weer begonnen met tikken toen jullie binnen kwamen vallen.’

Daar zouden we even over nadenken.

‘Maar waarom zou je in godsnaam een einde der tijden willen?’, zouden we na een korte stilte vragen. 

En de man zou zeggen: ‘Heb je dat zelf net niet heel accuraat omschreven?’

Yulen

Toen hij wakker werd was hij veertien.  Er zat nog altijd aarde in zijn ogen.

Hij kon zich het vallen niet herinneren, daarvoor was hij te jong geweest. Zijn huid herinnerde het zich wel. Een wirwar van krassen. Een ademende legpuzzel. Er was geen pijn meer en ook geen jeuk. Hij wist niet van een gisteren en ook niet meer van alles wat ervoor was gekomen; tijd bestaat niet onder de grond. Hij werd wakker en hij was veertien, en jongens van veertien zijn sterk genoeg om te klimmen.

Hij duwde zijn vingers in de aarde en trok zich op. Hij woelde zich door lagen modder en klei heen. Vroeg zich niet af waar de afgelopen twaalf jaar gebleven waren. Hij was gevallen en wakker geworden. Dat was alles. Hij miste zijn ouders en wilde naar boven. De lucht zien. Limonade drinken. Kaasknabbels eten. Hij trok zich op en duwde het natte, zwarte zand naar beneden. Meter voor meter werkte hij zich langs de wanden van de put omhoog, in het pikkedonker, en de enige reden dat hij wist dat hij de goede kant op ging was dat hij niet duizelig werd. En dat hij zuurstof in de lucht proefde.

Het kostte hem twee dagen en drie nachten. Toen zag hij licht. Hij klauwde zijn vingers om de rand van de put en hees zich terug de wereld in. De zon maakte hem blind. Minuten lag hij in het gras. Hij ademde de buitenlucht in, zoog tot zijn longen leken te scheuren. Hij probeerde zijn stem uit. Zonder woorden want die had hij nooit gehad, nu ja, wat brabbeltjes, maar hij had ook geen woorden nodig. Dat zou allemaal wel komen. Hij lag daar met zijn ogen dicht, net zolang tot de zon verdwenen was en het begon te regenen, en die regen spoelde hem schoon.

Yulen, dacht hij. Dat ben ik. Dat weet ik.

Hij krabbelde overeind en bekeek zichzelf. Hij was naakt. Natuurlijk; hij was met zijn slungelige lijf uit die peuterkleertjes gegroeid, daar onder de grond. Gelukkig zag niemand hem. Hij dwaalde wat rond, stal een paar kleren van een waslijn en trok ze aan.

Hij ging naar huis.

Zijn ouders openden de deur en lieten hem binnen. Ze aaiden hem over zijn hoofd en over zijn wangen, en ze zeiden niets, wat Yulen fijn vond, want hij kon ook niks terugzeggen. Ze hielpen hem in bad en daarna zijn bed in. Ze hielden de journalisten buiten de deur. Die verzonnen hun eigen verhaal maar.

Zijn vader leerde hem spreken en zijn moeder leerde hem fietsen, het verschil tussen goed en kwaad en dat je niet moet oversteken als het rood is. Het buurmeisje waar hij weleens gelogeerd had kwam af en toe langs en dan wandelden ze samen langs de snelweg en noemden ze automerken op die ze mooi vonden. Ze kregen verkering en dat ging weer uit maar ze bleven vrienden.

Yulen werd 15, 16, 17 tot en met 30 en toen kreeg hij zijn eerste kind. Vlak daarna trouwde hij, niet omdat hij vond dat dat moest maar omdat hij van feestjes en dansen was gaan houden, en omdat hij de liefde wilde vieren.

Hij werd een paar keer ziek en weer beter, verloor het topje van zijn pink bij het snijden van wortels voor in de pastasaus en hij won een bescheiden geldprijs met een kleinschalige loterij. Met zijn gezin verhuisde hij naar een dorp nabij dat van zijn ouders.

Hij leidde een leven, een heel mensenleven, bestaande uit jaren, dagen en minuten, en het was alsof het allemaal zo hoorde. Alsof hij nooit gevallen was. Alsof de put er niet was geweest en de diepte en de angst en het steeds langzamer ademhalen ook niet. Alsof dat ene moment, het moment waarop hij met zijn neefjes achter het huis speelde en kaasknabbels at en niet goed oplette, omdat hij een kindje was, waardoor hij zich verstapte en het duister in tuimelde, dat moment; het moment waarop hij stierf;

het was alsof het nooit bestaan had.

TOON naar Netflix!

De komedieserie 'Toon', waar ik tot mijn onbeschrijfelijke trots aan heb mogen meeschrijven, is vanaf 18 oktober op Netflix te zien. Dat is grandioos tof en bizar. Bekijk hier de trailer en gaat dat streamen, lieve mensen!

Met Geert Wilders naar de Blokker

'Hallo’, zei de bezorger, ‘Uw buurman is niet thuis. Wilt u dit pakketje misschien voor hem aannemen?’
Dat wilde ik niet, maar ik zei toch ja, want ik ben een nette jongen.
‘Dank’, zei de bezorger, ‘U bent een goed mens’.
Ik wilde hem zeggen dat ik gisteren nog nootjes naar een dronken man had zitten gooien, maar slikte de woorden in. Ik ging naar binnen en zette het pakketje naast mijn strijkijzer. Daar bleef het een paar dagen staan. Ik schreef wat aan mijn nieuwe boek en kookte twee keer coq au vin. Één keer met rode en één keer met witte wijn. Toen besloot ik – het was inmiddels vrijdag – toch eens bij de buurman langs te gaan. Het pakketje stond in de weg. Maar er was geen buurman meer. Het huis was leeg. Door het raam zag ik de betonnen vloer en de vaalwitte muren met wittere vlakken erop. Daar hadden zijn filmposters gehangen.

Thuis zette ik het pakketje op tafel. Ik keek er een tijdje naar, ging er bij zitten en legde mijn voorhoofd er even tegenaan, pulkte wat aan de randjes, scheurde uiteindelijk de tape er vanaf en opende het.
In het pakketje zat Geert Wilders, in kleermakerszit, te midden van wat plukjes stro. Hij keek chagrijnig omhoog. Hij was hooguit veertig centimeter groot.
‘Geert Wilders?’, vroeg ik, terwijl ik hem best herkende, maar ik moest toch wat. Zijn zwarte kraaloogjes blikkerden boos.
‘Ja, dat zie je toch?’, zei hij, en hij stond op, pakte de randen van de doos vast en klom eruit.
‘Hoe ben jij zo klein geworden?’, vroeg ik.
‘Dat is een heel lang verhaal’, zei Geert Wilders, terwijl hij zich op de tafelrand neerzette en in het rond keek, ‘Vind je het goed als ik daar nu niet op in ga?’
Ik zweeg. Geert Wilders leek niet in de stemming voor gezeur.
‘Wie ben jij?’, vroeg hij vervolgens, en hij wees naar me met een priemend vingertje.
‘Ik ben Lucas’, antwoordde ik, en na een korte pauze: ‘De Waard. Ik ben schrijver. Heb het pakketje aangenomen voor mijn buurman, maar die is weg.’
Geert Wilders keek me aan, vorsend, en knikte toen langzaam, ten teken dat hij de verklaring afdoende vond. Daarna blikte hij wat om zich heen, mijn interieur in zich opnemend. Op mijn salontafeltje stond een schaal kerst-M&M’s. Het was nog geen kerst; ik had ze over van vorig jaar, en ze stonden er min of meer ter decoratie. Geert Wilders sprong van de tafelrand, holde naar de schaal en begon M&M’s te eten. Met zijn kleine handjes propte hij ze in zijn mond en slikte ze door zonder al te veel te kauwen. 

Ik ging naar de keuken om thee te zetten. Terwijl er bruine sliertjes uit het theezakje kringelden die langzaam het hete water inkleurden hoorde ik in de kamer gerommel in mijn CD-kast.
‘Je hebt alleen maar kutmuziek!’, riep Geert Wilders. Ik deed of ik hem niet hoorde. Ik roerde honing door de thee en nam een slok, maar het was natuurlijk nog veel te heet.
Toen ik terugkwam in de kamer stond Geert Wilders een klein jasje aan te trekken, dat blijkbaar ook in de doos had gezeten.
‘Kom, zet die thee weg’, zei hij, ‘Ik wil de stad in.’
‘Waar wil je heen dan?’, vroeg ik.
‘Naar de Blokker.’

Met Geert Wilders op mijn schouder liep ik het centrum in. Het was rustig. Er waren wat landerig rondhangende pubers, een oud vrouwtje dat bibberend friet at, en een straatmuzikant; een donkere man die op een viool speelde.
‘Kijk’, zei ik, ‘Een gelukszoeker’. Maar Geert Wilders was afgeleid door een stroopwafelkraam, die een eind verderop stond. Hij wees en klapte in zijn handjes.
‘Ik wil een stroopwafel!’
‘Je hebt net M&M’s gehad’, zei ik. Geert Wilders knikte.
‘Ja, dat is waar’, zei hij.

In de Blokker was het al even uitgestorven als in de rest van de stad. Er hing een dik kassameisje onderuit in haar stoel op een lolly te zuigen. Volgens haar naamplaatje heette ze Destiny. Geert Wilders sprong van mijn schouder en holde naar het rek met pannen. Hij klom op het plastic krukje dat ervoor stond en trok een koekenpan van het Blokker huismerk van de muur. Hij wiebelde het ding wat heen en weer. Het handvat zat een beetje los.
‘Haha, wat een kansloze rommel!’, riep hij vrolijk. Hij sprong weer van het krukje, gooide de pan in een bak waar “Uitzoeken! 2 euro!” op stond en hinkelde naar de hoek met wc-artikelen.
‘Ik heb gehoord dat er een pleeborstel van mijn hoofd is gemaakt’, zei hij, ‘Zouden ze die hier hebben?’ Hij rommelde wat tussen de wc-borstels, maar die bleken allemaal wit te zijn en twee vijftig te kosten.
‘Saai!’, riep hij. Achter de kassa zat Destiny haar lippen in te vetten met Labello. Buiten begon het zachtjes te regenen.
‘Kom!’ zei Geert Wilders, ‘Ik heb genoeg gezien. Nu gaan we naar de HEMA.’
‘Waarom?’, vroeg ik.
‘Worst!’, gilde Geert Wilders, ‘Wat anders?’
Gelaten liep ik achter hem aan de deur uit, terwijl Destiny onverdroten doorstiftte. We staken het plein over naar de HEMA, waar Geert Wilders een rookworst kocht en die verstopte tussen de douchegordijnen. Daarna moesten we naar de Xenos, waar Geert Wilders in een prematuur kerststalletje ging staan en riep: ‘Ik ben een wijze uit het Oosten, motherfuckers!’; een grap die ik niet helemaal begreep.

Uiteindelijk eindigden we in de Action, waar ik besloot dat ik het beu was. Ik tilde Geert Wilders op en zette hem op het bovenste plankje van de kast met kaarsenhouders en spaarvarkens, zodat ik hem goed kon aankijken.
‘Wat is hier het nut van, Geert Wilders?’, vroeg ik, ‘Waar zijn we mee bezig?’
De pretlichtjes in de ogen van Geert Wilders werden dof. Hij zuchtte.
‘Ik wilde gewoon weer eens winkelen’, zei hij.
‘Kun je niet winkelen?’
‘Nee, niet zoals normale mensen. Er staan altijd zeven beveiligers om me heen. Als die er niet zouden zijn, willen mensen de hele tijd of een handtekening, óf mijn hoofd eraf snijden.’
Ik knikte. ‘Heb je het daar zelf niet een beetje naar gemaakt?’, vroeg ik, wat in het licht van onze gezellige middag misschien niet helemaal netjes was, maar ik heb ook zo mijn principes. Geert Wilders haalde zijn schouders op.
‘Doet dat er nog toe?’, vroeg hij. Ik zweeg. Er kabbelde ijle pianomuziek door de gangpaden en het rook naar stof. Geert Wilders zwiepte zijn beentjes lusteloos heen en weer en keek om zich heen. Hij wees op een rek met kerstballen, waar in grote letters “feestversiering”, boven stond.
‘Kijk’, zei hij, ‘Je mag het tegenwoordig godverdomme ook al geen kerst meer noemen.’

Een paar dagen later belde mijn voormalige buurman aan. Ik opende de deur in mijn badjas.
‘Er was hier een pakketje voor mij bezorgd’, zei hij, en hij keek langs me heen de gang in.
‘Dat klopt’, zeg ik, ‘Geert Wilders zat erin.’
Hij fronste. ‘Geert Wilders?!’
‘Ja, Geert Wilders.’
Hij schudde zijn hoofd en spuugde op de grond. ‘Ik had Jesse Klaver besteld’, zei hij, en hij draaide zich resoluut om, ‘Kut-postNL.’
Terwijl hij in zijn auto stapte en de motor startte sloot ik de deur. Ik liep terug de woonkamer in, waar Geert Wilders Call of Duty zat te spelen.
‘Wie was het?’, vroeg hij.
‘Niemand’, zei ik.

Pleister (een verhaal van 100 woorden)

‘Richard, doe nog eens dat ene’ fluistert Vanessa met hese stem, ‘Dat was lekker’.
‘Dat met mijn duimen?’ vraagt Richard, blij met deze plotselinge wending van de avond, en dat terwijl het niet eens vrijdag is.
‘Ja, dat is echt het lekkerste dat je ooit hebt gedaan!’
Vol goede moed begint Richard te friemelen.
‘Au’, zegt Vanessa, ‘Dat doet pijn.’
‘Sorry’, zegt Richard, ‘Mijn ene duim heeft een pleister.’
‘Bah, haal eruit’, zegt Vanessa boos, ‘Viespeuk.’
Teleurgesteld haalt Richard zijn duimen uit Vanessa en steekt ze onbeholpen omhoog, alsof er iets te vieren is.
‘Ik zie geen pleister’, zegt Vanessa.